Op 21 juli 1923 onthulde Brussel het eerste standbeeld in de geschiedenis voor een vrouw zonder sociale status: het bronzen monument op het Sint-Jansplein voor Gabrielle Petit, een jonge heldin uit het verzet van de net afgelopen oorlog, in 1916 gefusilleerd in Schaarbeek.
Galmende toespraken prezen Petit als een “eenvoudig volksmeisje.” Zij was hoegenaamd niet eenvoudig. Petit was briljant, geestig, lastig, en kon niet tegen onrecht: een meisje van niks met een grote mond, zoals er zoveel in de stad rondliepen. De oorlog bood haar de kans, zich eindelijk waar te maken: “ik ben niet langer waardeloos,” schreef ze, en trad toe tot de Engelse spionagedienst.
Maandenlang stuurde ze rapporten over het Duitse leger aan het Westfront, tot een infiltrant haar netwerk ten val bracht. Ze weigerde te spreken. Een Duitse rechtbank sprak de doodstraf uit. De Keizer zelf liet weten dat de executie kon doorgaan: voor een schandaal viel niet te vrezen, want Petit was een onbekende. Ze werd terechtgesteld op 1 april 1916 – de datum was bewust gekozen om haar nagedachtenis belachelijk te maken.
“Ik heb nergens spijt van”, schreef Petit aan haar zus. Haar stoïcijnse dood werd door weinigen opgemerkt. Dat veranderde na de bevrijding: haar anonieme graf werd een bedevaartsoord, zij werd verheven tot “nationale heldin,” en heel Brussel trok naar haar plechtige herbegrafenis in 1919. Petit was hét verzetssymbool tijdens de Nazibezetting en haar herinnering bleef levend tot in de jaren zestig: een volkscultus eerder dan een door de staat opgelegde herdenking.