‘De mens is een monster tot het bewijs van het tegendeel’

Decennialang droegen ze hun beladen oorlogsherinneringen in stilte. Advocaat Simon Gronowski (93) als overlever van de Holocaust, kunstenaar Koenraad Tinel (91) als telg uit een gitzwart Gents nazi-gezin. Hun eerste ontmoeting veranderde alles. ‘Dit is niet zomaar een vriend geworden. Het is mijn broer!’

Door Dany Neudt & Tim Van Steendam - 17/01/2026
‘De mens is een monster tot het bewijs van het tegendeel’
Het gesprek vindt plaats in het knusse, krakende bureau van Simon Gronowski in Elsene, waar de tijd stil bleef staan. Aan de wand hangen tal van oorkondes en oude tekeningen van rechters, zittingen en confraters. Hij vierde er vorig jaar nog zijn 70 jaar als advocaat aan de Brusselse balie. Wanneer Koenraad Tinel en zijn
partner Elisabeth Vandendaele aanbellen is de verwelkoming hartelijk, alsof ze elkaar in tijden niet hebben gezien. ‘Nochtans spreken en bellen we elkaar regelmatig,’ zeggen ze. Nog een knuffel en een kus. 

Het scheppingsverhaal van dit broederschap is zonder meer uniek te noemen. Simon sprong in 1943 als elfjarig Joods jongetje uit een rijdende dodentrein richting Auschwitz-Birkenau. Hij wist miraculeus te overleven, in tegenstelling tot zijn moeder en zus, die in het concentratiekamp aan hun einde kwamen. Hij dook de rest van de oorlog onder bij de ouders van een vriend. Zijn vader stierf enkele weken na de wapenstilstand van ziekte en verdriet. Koenraad groeide dan weer op tussen Germaanse wimpels en Hitlerbustes. Zijn ene broer vervoegde de beruchte SS-troepen aan het Oostfront, zijn andere broer was kampbewaker in Breendonk en Kazerne Dossin, waar de kleine Simon zijn laatste dagen als kind doorbracht. 
Mijnheer, de nakomelingen van nazi’s zijn niet verantwoordelijk voor de daden van hun ouders.
Simon en Koenraad torsten hun verleden decennialang in stilte. In 2012 ontmoetten ze elkaar voor het eerst. Koenraad gaf acte de présence in Théâtre National voor zijn gelauwerde graphic novel Scheisseimer, een reeks beklemmende tekeningen met tekst die de op- en neergang van zijn familie beschrijft. Na de voorstelling vroeg een jongeman of hij zijn verhaal ook wilde vertellen voor de Union Progressiste des Juifs de Belgique. Geen evidente vraag, maar Koenraad hapte toe. De rest is, zoals men zegt, geschiedenis. 

Simon: ‘Die jongeman, Sasha Rangoni, belde ook naar mij. Hij vroeg: wil u een kind van een nazi ontmoeten? Ik was verbaasd. (lacht) Ik had dat nog nooit gedaan, maar ik aanvaardde de uitnodiging.’ 
Koenraad: ‘Ik kende Simon zijn verhaal van een interview in De Standaard. Ik heb gehuild toen ik las hoe dat ventje zich destijds had weten te redden. Ik wilde hem al langer ontmoeten, maar ik durfde niet.’ 
Simon: ‘Bij onze ontmoeting zei Koenraad  onmiddellijk: “Mijnheer, ik ben de zoon van een nazi-familie.” 
Koenraad: ‘En Simon antwoordde: “Mijnheer, de nakomelingen van nazi’s zijn niet verantwoordelijk voor de daden van hun ouders.” Het was voor mij ongelooflijk belangrijk om dat te horen. Sinds die dag hebben we een diepe vriendschap uitgebouwd.’
Helden van het verzet
Foto: Thomas Nolf
Word steunend lid en geef onze werking vleugels
Onze werking krijgt geen vaste subsidie. We kunnen jouw financiële steun dus goed gebruiken! Word vandaag nog steunend lid! Je maakt een historisch onrecht ongedaan, ontvangt het Heldenmagazine, steunt onze projecten en maakt deel uit van een levendige community.
Hoe komt het dat jullie zestig jaar of meer hebben gezwegen?
Simon: ‘We hadden elk ons leven, ons gezin. Ik heb de wereld rondgereisd en muziek gespeeld. Zelfs mijn familie wist enkel dat ik uit de trein was gesprongen en mijn naasten had verloren. Het sluimerde lang op de achtergrond, tot verschillende mensen in mijn omgeving me aanmoedigden om een boek te schrijven. (L’enfant du XXe convoi uit 2002, red.) Toen pas kwam het in volle kracht naar boven.’
Koenraad: ‘Ik was druk bezig met mijn werk en mijn familie. Mijn atelier, mijn hoeve, de groentetuin en mijn dieren slorpten al mijn tijd en energie op. Ze duwden mijn geschiedenis naar de achtergrond. Veel later las ik boeken zoals De Welwillenden van Jonathan Littell, die tot in detail beschrijft hoe de nazi’s in het oosten dorp na dorp uitmoordden. Mijn oudste broer heeft daaraan meegedaan, eerst als lid van de SS-Panzer-Division Wiking en daarna bij de SS-Division Nordland. De rol van mijn familie in de gruwel begon steeds zwaarder op mij te wegen. Op een of andere manier vond die bewustwording ook een weg naar mijn tekeningen.’

Heb je je familie daar ooit mee geconfronteerd?
Koenraad: ‘Mijn vader is gestorven in 1964 en heeft zijn mening nooit bijgesteld. Ik vroeg hem eens naar de Jodenkwestie. Hij haalde zijn schouders op. “Allee,  zoveel Joden vermoord? Er lopen er nog zoveel rond.” Toen ik na de oorlog voor het eerst Breendonk bezocht en me uitsprak over de gruwelen daar, relativeerde mijn oudste broer. “Het was gewoon een kazerne.” Eén keer zei hij: “De Duitsers hebben maar één fout gemaakt, ze hebben de oorlog verloren.” Als mijn andere broer te veel gedronken had, dan vertelde hij over zijn tijd aan het Oostfront in Rusland. Ze reden met de vrachtwagen langs kleine dorpjes, waar ze partizanen uit
de bomen schoten. Hun vel bleef aan de boomschors hangen... (stil) Neen, gesprekken met mijn vader en broers hebben me nooit iets opgeleverd.’
‘Het zou ongepast zijn om me schuldig te voelen. Ik heb de morele plicht om optimist te zijn’
Nochtans heeft je broer aan Simon nog om vergiffenis gevraagd?
Koenraad: ‘Walter was 88 jaar, oud en ziek. Hij vroeg mij om een ontmoeting met Simon en ik heb dat geregeld.’
Simon: ‘We zijn in 2013 bij Walter in Gent gegaan. Hij was mijn bewaker in Kazerne Dossin. “Jij hebt mij toen met de punt van je geweer naar de trein van de dood geduwd,” zei ik. Hij zei dat hij berouw had over zijn daden en vroeg me om vergiffenis. Men kan pas vergiffenis schenken op drie voorwaarden: de schuldige moet het zelf vragen, hij moet berouw tonen en het moet oprecht zijn. In dat geval moet het slachtoffer vergiffenis schenken. Mocht ik dat geweigerd hebben, dan zou ik de haat aan beide kanten in leven houden.’
Koenraad: ‘Voor mij volstond het niet, maar ik had de moed niet om er op dat moment met mijn broer over te praten. Ik had vooral medelijden. Noch mijn broers, noch mijn vader hebben het er met mij ooit echt over gehad. Dat doet veel pijn, maar nu is het te laat. Die last zal ik meenemen in mijn graf.’

Op jonge leeftijd zijn jullie geconfronteerd met ‘de Waarheid’ in zijn meest perverse vorm. Heeft dat een rol gespeeld in jullie latere leven? Kunnen jullie nog
geloven in iets?

Koenraad: ‘Ik zeg soms: de mens is een monster tot het bewijs van het tegendeel. Als ik mijn kleinkinderen zie: zo schoon! Maar al die vreselijke dictators waren ooit ook onschuldige kinderen. Dat het zulke monsters kunnen worden, dat begrijp ik niet. Daarin verschillen we van mening. Hij daar gelooft echt in de goedheid van de mens.’
Simon: ‘Er zijn uitzonderingen: criminelen, nazi’s, Dutroux. Die moeten we bestrijden. Maar hoe kan ik twijfelen aan de goedheid van de mens? Na mijn vlucht uit de
trein klopte ik na een nacht lopen door de bossen aan bij het huis van een rijkswachter, Jean Aerts. Hij riskeerde zijn leven door mij te verbergen. In een katholieke familie! Dat geeft mij vertrouwen.’ 
Koenraad: ‘Die schoonheid heb ik nooit mogen ervaren. Ik zat in het andere kamp.’ 
Elisabeth: ‘Koenraad gelooft in de keuze van de mens. Elk heeft altijd de mogelijkheid om te kiezen voor het goede of het kwade.’
Helden van het verzet
Hadden zijn broers op die jonge leeftijd een keuze?
Elisabeth: ‘Zijn oudste broer was een huurling bij de SS. Hij was vrijwilliger. Je kan het de eerste keer dan nog misschien op zijn jeugdige naïviteit steken, maar na twee jaar heeft hij bijgetekend. Daar maakte hij een keuze. Zijn andere broer stond op wacht in Breendonk, waar de vreselijkste martelingen plaatsvonden. Hij ging daar weg, maar niet omdat hij tot inkeer kwam. Hij trok naar de Hitlerjugend om jongeren te engageren. Ook zijn ouders hebben een keuze gemaakt,  Niemand heeft hen daartoe gedwongen.’ 
Koenraad: ‘Mijn vader was vrijwilliger in de Eerste Wereldoorlog en begon België te haten. Hij werd flamingant en nadien nazi. Mijn vader en broers waren lid van het Verdinaso (fascistische beweging onder leiding van Joris Van Severen, red.). Hun strijdlied is getoondicht door mijn eigen nonkel, Jef Tinel. In ons huis hingen portretten van Joris Van Severen, die mijn moeder het hof maakte. In de familie deed het gerucht de ronde dat ik zijn zoon was, maar dat is onzin. Ik vind dat er altijd met te veel empathie naar de collaboratie is gekeken. Na de korte periode van repressie zijn de straffen heel snel gemilderd. Zelfs nu is er nog altijd begrip voor die collaborateurs. Onbegrijpelijk.’
'Ik vind dat er altijd met te veel empathie naar de collaboratie is gekeken.'
Overlevenden van de Holocaust worden niet zelden getroffen door een schuldgevoel omdat zij het overleefd hebben en de anderen niet. Overkwam het jou ook, Simon?
Simon: ‘Neen. Het is mijn moeder die me op de trede van de wagon heeft gezet en me aanmoedigde om te springen. Zij heeft me twee keer het leven geschonken: bij de geboorte en in die trein. Het zou erg ongepast zijn om me ongelukkig of schuldig te voelen. Integendeel, ik heb de morele plicht om optimist te zijn en dit verhaal te blijven vertellen. Voor hen.’

Jullie hebben beiden een gezegendeleeftijd bereikt. Herinneren jullie je na zoveel jaar soms nog nieuwe dingen?
Koenraad: ‘Neen, maar mijn herinneringen worden wel rijker en vollediger door bijvoorbeeld de brieven van mijn moeder en mijn broer te herlezen. Daarom heb ik ook een nieuwe editie van Scheisseimer gemaakt. Geschiedenis herhaalt zich voortdurend op nieuwe manieren. Goed en kwaad: het ene kan niet bestaan zonder het andere. Het goede kan niet winnen, maar het kwade ook niet.’ 
Elisabeth: ‘Geschiedenis is levend erfgoed, het evolueert voortdurend. Daarom schenkt de nieuwe editie meer aandacht aan de rol van zijn moeder, of aan zijn Joodse pianolerares, Betty Galinsky, die ook vermoord werd in Auschwitz. Bruno De Wevers nieuwe inzichten over de Eerste Wereldoorlog hebben invloed. De zogenaamde discriminatie van de Vlaamse soldaat aan het IJzerfront? Dat was propaganda van het Verdinaso en werpt dus nieuw licht op de overtuigingen van zijn familie. Ook Simon heeft ontzettend veel geholpen in die verwerking.’
Simon: ‘We waren twee kleine jongens toen de oorlog begon. We zaten beiden bij de scouts. We hadden toen ook vrienden kunnen zijn. Onze pijn is niet te vergelijken, maar ik begrijp de zijne wel. Wie is ongelukkiger? De zoon van de schuldige, of de zoon van het slachtoffer? Er is geen antwoord.’ 

Wanneer we het interview afsluiten, verdwijnen Simon en Koenraad in een kort fluistergesprek dat de essentie van hun liefde en respect voor elkaar omvat. 
‘Tu as un bon cœur,’ zegt Simon. ‘Je hebt een goed hart.’ ‘Grâce à toi, Simon,’ zegt Koenraad. ‘Dankzij jou.’
Dit artikel verscheen oorspronkelijk in het Heldenmagazine voor de leden van vzw Helden van het verzet. Enkele maanden na de verschijning van het magazine, plaatsen we een selectie aan artikels op de website. Wil je ons unieke Heldenmagazine boordevol informatie over het Belgische verzet ook in je brievenbus ontvangen? Via deze link word je steunend lid en geef je onze werking vleugels.
Meer interessante artikels