De stilte van Armand Manders
Meermaals heb ik mijn vader, Armand Manders1, gevraagd of hij niet de aandrang voelde om zijn wedervaren in Duitse gevangenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog neer te schrijven. Telkens wimpelde hij dat af met als argument dat twee van zijn beste kameraden, Charles Brusselairs en Henk Verheyen, met wie hij samen gevangengenomen en weggevoerd werd, hun verhaal en dus ook het zijne te boek hadden gesteld2. Met 32 werden zij als lid van een verzetsgroep aangehouden. Drieëntwintig van hen werden gedeporteerd, van wie er slechts acht levend teruggekeerd zijn naar huis.
Vader vertelde zeer weinig over wat hij had meegemaakt. Hij zei steevast dat anderen het nog veel slechter en erger hadden gehad dan hij. Ook daarbij doelde hij wellicht op zijn vrienden Henk en Charles. De eerste overleefde ternauwernood een dodenmars te voet richting concentratiekamp Dachau, de tweede bracht 28 dagen door op een dodentrein van Weimar naar Theresienstadt, waar hij meer dood dan levend aankwam.