'Ik juich! Geen hoger heil heeft ooit mijn ziel gestreeld, / dan dat ik, Nederland! ben op uw’ grond geteeld.' Dat zijn verzen uit De Hollandsche Natie (1812) van Jan Frederik Helmers, een gedicht van ruim drieduizend regels.
Misschien wel het meest nationalistische gedicht uit de Nederlandstalige literatuur. In die tijd vormde het echte verzetsliteratuur: Helmers verzette zich tegen de bezetting door Napoleon. Vandaag zou je zo’n nationalistisch gedicht bijna als het tegengestelde van verzetsliteratuur kunnen zien. De tijden veranderen, zo ook de strijden. Ik vraag me af: welke hedendaagse dichters zullen over honderd jaar tot de ‘verzetsliteratuur’ worden gerekend?
Misschien de spoken wordartiesten die ‘Free Gaza’ schreeuwen en hun nek uitsteken in het publieke debat. Ja, zij zetten wat in beweging. Toch hoop ik dat men ook de stille stemmen niet vergeet: de dichters die hun verzen slijpen tot ze puntgaaf zijn, komma’s wikken en wegen. Die in een wereld vol ongenuanceerd gebral uit het raam staren, de eerste weerkerende zwaluw zien, woorden zoeken om zo’n thuiskomen — de mooiste vorm van op de vlucht — te vangen, en er vrede mee nemen dat ze na een dag proberen soms niet meer dan een cursor hebben verzet.