Op 30 mei 1942 begon voor Rie de zware tocht naar Ravensbrück, waar ze op 18 juni 1942 arriveerde. Ze was niet langer Rie Goethals, maar nummer 11907. Ze heeft zelf nooit veel verteld over hoe ze in Ravensbrück werd behandeld, maar getuigenissen van medegevangenen schetsten de ontmenselijke omstandigheden. Persoonlijke bezittingen werden afgenomen en vervangen door houten klompen en een gestreepte jurk. De dagen verliepen volgens een vast patroon. Om vier uur werden de gevangenen opgeroepen en moesten ze zich haasten naar het appel. Tijd om naar het toilet te gaan, zich te wassen aan de weinige wasbakken en een klein stukje brood te eten, was er nauwelijks. Na het appel volgde slavenarbeid. Verschillende keren zweefde Rie tussen leven en dood. De honger was het zwaarst om te dragen, naast de voortdurende terreur en mishandelingen door de bewaaksters.
Toen de Russen vanaf januari 1945 oprukten naar het westen, stokte de toevoer van grondstoffen, wat ook het einde betekende van de dwangarbeid. Rie en vele andere gevangenen werden opgesloten in hun barakken; anderen werden nog snel vergast of op een andere manier omgebracht. De verlossing, althans voor een klein deel van de gevangenen, kwam op 24 april 1945 in de vorm van witte bussen en vrachtwagens van het Rode Kruis. Het Zweedse Rode Kruis waren er in geslaagd om de Duitse autoriteiten te overtuigen om een deel van de gevangen over te brengen naar Zweden. Rie werd samen met een paar honderden gered. Ze werden eerst opgevangen In Malmö en nadien drie maanden in herstellingsoorden opgenomen. In juni 1945 werd ze gerepatrieerd naar België, waar ze introk bij haar schoonouders. Ze kwam te weten dat Rudolf was gearresteerd in mei 1944, maar niemand kende zijn lot. Pas in 1946 werd ze gevraagd om zijn lichaam, gevonden op de Nationale Schietbaan in Schaarbeek, te identificeren. Rie bewaarde de rest van haar leven een paar stukjes van Rudolfs kleding en een haarlok.
In 1956 werd Rie officieel erkend als verzetsvrouw door het Ministerie van Defensie. Ze huwde met de Joodse verzetsman en Auschwitz-overlever Genia Heimans, en samen kregen ze een zoon: Henri Heimans. Met niemand sprak ze over wat ze had meegemaakt. Migraine- en angstaanvallen, nachtmerries over de gruwelijke dood van haar geliefde echtgenoot en de traumatische ervaringen in het kamp plaagden haar tot haar dood, kort omschreven als KZ-syndroom.
Meer lezen: