Mei. Opa’s verjaardag.
Het jaarlijkse familiefeest: zijn acht kinderen rond de tafel. Mijn moeder was er één van.
Het begon netjes: complimenten over hoe we gegroeid waren, tante Wen haar dikke smakkerds, een aperitiefke en nog eentje en nog eentje en…
Dan barstte het los. Nog voor mijn neven sigaretten konden pikken, galmden vijf zussen in koor liederen, gedichten en minutenlange theaterteksten. Vuurwerk van woorden. Zelfs mijn moeder – doorgaans braaf – werd een furie. De molen trilde van leven.
En daarna, altijd vader achter het stuur. Waarom toch?
Opa had medailles, hij had gevochten in 'den oorlog'. Voor een kind zoals ik genoeg om de fantasie te laten razen. Nieuwsgierig durfde ik vragen:
Hoe was dat? Heb je iemand zien sterven? Heb je zelf geschoten?
Zo luid als er werd gelachen, zo hard werd dan gezwegen. Geen oorlogsverhaal in dat vat vol herinneringen en toneel.
Als kind voelde ik het, er was iets...
Een stilte.
Het liet me nooit los. Tientallen jaren na opa’s dood begon mijn tante Lies te schrijven. En ik begon langzaam met haar mee te graven…
Bart Geraets,
één van de 25 kleinkinderen van Thies