Oorlogservaringen die een leven tekenen
Mijn moeder, Ludovie Van Ermen, kwam uit Tienen. Mijn ouders woonden als kind allebei in de pas aangelegde Grijpestraat, net buiten de stad, waar toen nog maar zeven huizen stonden.
Begin januari 1915 vluchtte mijn vader Henri met enkele vrienden naar Nederland. Ze kropen onder de ‘dodendraad’ door, bereikten langs die weg Engeland en stonden begin februari al weer aan het front in West-Vlaanderen. Daar maakte hij het ergste mee wat een soldaat kan overkomen: gevechten van man tegen man. Je ziet het zo voor je. Officieren schreeuwen ‘Baïonnette au canon! En avant!’ – altijd in het Frans. Dan storm je op de vijand af en steek je, steek je, steek je… Achteraan lopen officieren die vluchtende soldaten zonder pardon neerknallen.
Op 11 november 1918 overleed de vader van mijn moeder, amper 48 jaar oud. Zijn werk als postbode had zijn longen kapot gemaakt, en in die tijd gingen gewone mensen pas naar de dokter wanneer het eigenlijk al te laat was. Terwijl het hele land amper een week later het einde van de oorlog vierde, bracht die periode voor onze familie vooral stilte en verdriet.
Diezelfde ochtend wekten Duitse soldaten alle bewoners van de straat. Iedereen moest zijn huis verlaten: de Duitsers wilden er een batterij opstellen en weigerden zich over te geven. Ook mijn moeder – samen met haar moeder, oudere zus en jongere broer – moest weg. ‘Ga maar, er zal niets gebeuren,’ zei een Duitse officier. De families vluchtten naar een bosje verderop en brachten daar de nacht door.
Om elf uur luidden overal de klokken: de oorlog was voorbij. De mensen haastten zich naar hun huizen, maar vonden alleen vernieling. Het interieur van het huis van mijn moeder was volledig vernield. In de resten van hun woning troffen ze hun overleden vader aan. Op tafel lag een briefje van de Duitse officier: ‘Neem mij niet kwalijk, het was een bevel.’ Zo verloren mijn beide ouders hun vader, in amper één week tijd.