Een andere vraag die ik mij blijf stellen, is of hij zich zorgen maakte over het lot van zijn vier kinderen voor het geval het misliep. Mijn vader, de jongste van de vier, was nog maar elf jaar toen de Gestapo Robert Claeys op 20 februari 1942 oppakte. Is dat de reden waarom er nadien zo weinig over hem werd gesproken? Was het een trauma dat nooit volledig verwerkt raakte?
Ik weet het niet.
En ik ben te laat. Er is niemand meer in leven die mij hierover meer kan vertellen.
Op zijn doodsprentje lees ik een tekst die overkomt als een afscheidsbrief. Mijn grootvader richt zich tot zijn vrouw, zijn kinderen, zijn moeder en zijn broers en zussen. Aan zijn kinderen geeft hij mee dat hij hoopt dat zij niet meer zullen moeten leven in een wereld vol onrechtvaardigheid waarvan hij zelf het slachtoffer werd.
Ook richt hij zich rechtstreeks tot Jacques, zijn oudste zoon, die voor dezelfde idealen uit het bezette Knokke gevlucht was.
Ik vind eveneens krantenberichten terug waarin gerouwd wordt om het overlijden van Robert Claeys. De vele blijken van medeleven doen vermoeden dat hij in Knokke een gekende en gewaardeerde figuur was. Na zijn dood krijgt hij bovendien veel erkenning, in de vorm van onderscheidingen en bevorderingen. De wetenschap dat hij zo gerespecteerd werd, doet mij deugd.
Op 2 april 1949 wordt zijn urne opgebaard in de kapel van de meisjesschool in Knokke. De bevolking wordt opgeroepen deel te nemen aan de plechtige uitvaart, waarna de urne wordt overgebracht naar het Stedelijk Kerkhof van Brugge. Mijn vrouw, mijn grootmoeder, maakt dat niet meer mee. Zij overlijdt op 8 december 1946.