Tijdens uw onderzoek voor een biografie over verzetsheldin Gabrielle Petit wees u de ondertitel ‘Mythe en Werkelijkheid’ af. Waarom?
“Alsof een mythe automatisch tegenover de werkelijkheid staat? Een mythe is geen verzinsel, maar een gesublimeerde vorm van een moreel verhaal waaraan mensen zich optrekken. Zo werden Gabrielle Petit of Edith Cavell (geëxecuteerde verzetsstrijdsters uit de Eerste Wereldoorlog, red.) tot voorbeelden verheven. Daarbij werd hun verhaal weleens gladgestreken of overdreven, zeker, maar het wortelde wel degelijk in reële gebeurtenissen.
Overigens is de studie van dat sublimatieproces – wat werd er overdreven, wat werd er gladgestreken, en waarom zou dat zijn gebeurd? – ook weer deel van onze taak als historici. Wat betekent het dat Gabrielle Petit in de hele Europese geschiedenis de eerste vrouw van eenvoudige afkomst was die een eigen standbeeld kreeg?
Als historici moeten we ook durven interpreteren. Bronnen zijn altijd onvolledig. Je verzamelt zoveel mogelijk puzzelstukken en probeert tot een plausibele reconstructie te komen. De Franse historicus Marc Bloch, zelf actief in het verzet tegen de nazi’s, zei al dat geschiedenis meer is dan louter rapporteren. Elke historicus werkt met wat bewaard is gebleven. Overigens is dat vaak, na generaties van slordigheid, bedroevend weinig.
In de gevangenis van Sint-Gillis liggen nog altijd archieven uit de bezetting van Wereldoorlog II en de onmiddellijke naoorlogse periode die nooit degelijk geïnventariseerd zijn. Die liggen daar gewoon weg te rotten. Hoe komt dat? En hoe komt het dat Andrée De Jongh, die honderden geallieerde piloten hielp ontsnappen, nauwelijks bekend is bij het grote publiek? Er is gelukkig wel een recente biografie, door Marie-Pierre d'Udekem d'Acoz. Was De Jongh een Nederlandse geweest, dan was ze al generaties lang een household name. Terecht ook. Gemeenschappen hebben behoefte aan voorbeelden. Maar welk Belgisch schoolkind kan vandaag een verzetsstrijder bij naam noemen?”