Wat wel goed plakt, is je snor in je nieuwe theatervoorstelling ‘Orde van de Dag’, naar het boek van de Franse schrijver Eric Vuillard. Het is een opmerkelijke toevoeging aan je repertoire: je speelt zowaar Adolf Hitler!
‘Hitler heeft een bijrol in dit verhaal. Het gaat vooral over de figuren rondom hem, de mensen die gebaat zijn bij een extreemrechtse figuur aan de macht. Ze ondervinden zelf geen hinder. Ze hebben enkel de baten van een stabiele economie en een bloeiende wapenindustrie. Regisseur Stijn Devillé vroeg me hoe ik hem op het podium wilde vertolken. Als grap heb ik een stuk Gaffa-tape op mijn bovenlip geplakt en dat is blijven hangen. Mijn personage refereert aan alle versies van Hitler die ooit gespeeld zijn: van Charlie Chaplins versie uit ‘The Great Dictator’ over de volksmenner met zijn eindeloze speeches tot de onberekenbare, theatrale gek. Ik probeer hem ook neer te zetten als een man-child, een gefrustreerde kleuter die worstelt met zijn speed- en cokegebruik. Toch is het niet Hitler die mij fascineert. Het zijn de onbekende namen die hem lieten begaan en hem het podium gaven. Wat drijft politici zoals Franz von Papen of de Oostenrijkse kanselier Kurt von Schuschnigg? Waarom lieten zovelen de nazi’s begaan? Dat is wat de voorstelling onderzoekt.’
‘9,6 (een verweer)’ was eerder een tirade. Je ergerde je daarin aan de braafheid van mensen die zulke maniakken lieten begaan.
‘Ja, nog altijd eigenlijk. (lacht) Extreemrechts zit qua aantal verkozenen in Europa steviger in het zadel dan in de jaren dertig. Het is toch heel vreemd dat we daar nu zo laks mee omgaan. Daar gaat ‘Orde van de Dag’ ook over. Hitler komt in februari 1933 aan de macht en een maand later begint de waanzin. Trek de parallel met Amerika en bedenk eens hoeveel kostbare systemen Trump op korte tijd al heeft beschadigd. Het Amerikaanse Agentschap voor Ontwikkelingshulp USAID is volledig lamgelegd. Het duurt jaren om dat te herstellen.
Ik zoek elke keer een andere vorm om met mensen in dialoog te gaan. We hebben nog steeds nood aan verzet, maar de tactiek verandert. De ene keer doe ik het met een ragfijne vertelling waarin ik eerder op humor mik, een andere keer bal ik de vuist. Door zelf ouder te worden en een kind te krijgen, ben ik rebelser geworden. Ik heb iemand om voor te vechten. Als twintiger ben je toch vooral met jezelf bezig. Op een bepaald moment begin je jezelf minder belangrijk te voelen. Een kind helpt om uit jezelf te treden en te kijken naar de wereld rondom.’
Je vader was ook een verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Heb je van hem een genetische afkeer voor onrecht geërfd?
‘Mijn vader is in 2002 gestorven, toen ik 25 was. Omdat ik in die levensfase zat waarin ik vooral met mijn eigen ontwikkeling bezig was, heb ik niet de vragen gesteld die ik nu wel zou stellen. Hij is geboren in 1927 en trad als tiener toe tot korps 034 van het Belgische Partizanenleger omdat een vriend uit de waterpoloclub daar ook zat. Dat was dus waarschijnlijk geen ideologische keuze. Maar hij heeft het wel gedaan en hij heeft echte verzetsdaden gepleegd. Hij heeft de bevrijding van Mechelen meegemaakt, hij vocht in Bree en Bocholt in Limburg en werd daarna oorlogsvrijwilliger. De details van wat hij heeft gedaan ken ik jammer genoeg niet, want hij heeft daar nooit over gesproken. Ik heb wel al zijn medailles thuis liggen, waaronder een Russische. Hij zal dus vermoedelijk in Bree en Bocholt ook een Rus hebben geholpen.’