In de dagen die volgen op de aanslag wordt het dorp tot twee keer toe omsingeld. Op 1 augustus is er een eerste gerichte actie tegen leden van het verzet. De zwarten (collaborateurs) zijn veel te weten gekomen over de werking van het lokale verzet via recente arrestaties van enkele witten (weerstanders) uit de buurt. Die dag worden drie inwoners in koelen bloede vermoord. August Craeninckx wordt neergeschoten op de kerkweg tegenover zijn hoeve. Oscar Beddegenoots en Petrus Vandermeeren, beiden verdacht van het verbergen van wapens en munitie, worden vermoord in het bos. Vijftien arrestanten worden per vrachtwagen overgebracht naar de gevangenis van Leuven.
Tien dagen later, op 11 augustus 1944, volgt een tweede razzia. Waar de eerste eerder een gerichte, kleinschalige actie was, is de tweede degelijk gecoördineerd. Robert Verbelen, hoofd van de Vlaamse SS, heeft de leiding. Het dorp wordt omsingeld door 450 leden van het Veiligheidskorps, de Zwarte Brigade, Vlaamse en Duitse SS’ers en soldaten van de Wehrmacht. Huis per huis gaan ze op zoek naar weerstanders of sympathisanten. De zusterschool dient als tribunaal. Na foltering wordt met willekeur over het lot van menig dorpeling beslist. Er wordt ook jacht gemaakt op de Canadese piloot. Via inlichtingen komen ze terecht bij boer Jules Schotsmans. Wanneer die weigert naar buiten te komen, steken ze zijn hoeve in brand. Jules komt om in de vlammen. Teddy, de piloot, wordt even later gevat in een naburige hoeve.
Die dag vallen ze ook binnen bij mijn overgrootvader
Evrard Cauwbergs. Ze zijn eigenlijk op zoek naar zijn zonen Jules en Fille, die in het verzet zitten, maar die ondergedoken zijn bij tante nonneke in Overijse. Daarom nemen ze Evrard mee als pasmunt. Leona, mijn grootmoeder, ziet het als vierjarig meisje allemaal gebeuren. Zo belandt mijn overgrootvader, net als nog een tachtigtal andere arrestanten, in de gevangenis van Leuven. Op 15 augustus wordt hij samen met het merendeel van de gevangenen overgebracht naar de gevangenis van Sint-Gillis in Brussel.
De zeven zwaarste verzetslui worden in Leuven gehouden voor verhoor, met als eindbestemming de galgen van Breendonk. Dit zou echter hun redding betekenen, want deze groep zou begin september door de geallieerden bevrijd worden en zo aan het noodlot ontsnappen.