Genk in de jaren ’30 was een heuse “boomtown”. De opening van de mijnen van Zwartberg, Winterslag en Waterschei hadden het bevolkingsaantal er doen exploderen. Telde het slaperige dorpje, dat in hoofdzaak bekend stond als bescheiden kunstenaarskolonie, in 1920 nog maar een kleine 6500 inwoners, dan waren dat er tien jaar later al meer dan 24.000. De komst van duizenden buitenlandse arbeiders naar Genk in de jaren ’20 weerspiegelde zich ook in de kleedkamer bij Thor. Lang voor men bij andere Belgische clubs buitenlanders opstelde, stonden er bij Thor al Duitsers, Polen en een Joegoslaaf als Pinter in het elftal. De meesten onder hen waren al op jonge leeftijd in België gearriveerd waardoor ze, ondanks hun vreemde nationaliteit, lang genoeg in ons land verbleven om voor een Belgische ploeg te mogen spelen. De Pinters waren in 1926 aangekomen in België. Ze waren afkomstig uit de mijnregio in Trbovlje, in het voormalige Joegoslavië (het huidige Slovenië). Via een tussenstop in het Duitse Holthausen, de geboorteplaats van Willy, belandden ze in Genk.
Alvorens op zijn 15de samen met zijn broers Aloïs en Adolf aan de slag te gaan in de mijn van Waterschei, liep Willy school in Bokrijk, bij de Broeders van de Christelijke Scholen. Daar, op de speelplaats, werd zijn voetbaltalent ontdekt. Samen met een pak klasgenoten, die net als hij een mooie voetbalcarrière uit zouden bouwen, sloot hij zich aan bij T.H.O.R. Deze club werd in 1919 opgericht. T.H.O.R. stond voor Tot Herstel Onzer Rechten; de club wou met die naam demonstreren tegen de Franstalige overheersing in het mijnbestuur en had niet zonder reden zwart-geel als clubkleuren. Bij het bestuur van de Belgische Voetbalbond viel die clubnaam echter slecht, waardoor de afkorting nadien een andere betekenis kreeg: Tot Heil Onzer Ribbenkast. In 1930, als 16-jarige, debuteerde Pinter in het eerste elftal. Met hem in de ploeg steeg Thor vervolgens naar het tweede niveau. Pinter was de strateeg van het elftal met een Centraal-Europees balgevoel. Hij was de man van de openingen, van de precisiepasses en van de assists. Zelf scoorde hij ook regelmatig. In 142 wedstrijden voor Thor maakte hij 51 doelpunten. Het volstond om opgeroepen te worden voor het Limburgse elftal; een gelegenheidsteam dat voorwedstrijden mocht spelen voorafgaand aan wedstrijden van de Rode Duivels.
Eind jaren ’30 dook in dat Limburgse elftal ook af en toe ook een ploeggenoot van Pinter op. Na de promotie naar de Eerste Klasse deed Peter Caspar Mevis zijn intrede bij Waterschei. Mevis was een flankspeler met buitenlandse roots die opmerkelijk genoeg geen tenen aan zijn linkervoet had. Zijn moeder was Duitse. Mevis was in Nederland geboren tijdens de Eerste Wereldoorlog. Zijn vader was met de noorderzon verdwenen. Anderhalf jaar na zijn geboorte hertrouwde zijn moeder en nam Mevis officieel de naam van zijn stiefvader aan. Mevis brak door bij Thor, maar een vedette zoals Pinter zou hij er nooit worden. Hij mocht wel regelmatig opdraven als één van de drie topaanvallers geblesseerd of onbeschikbaar waren. Maar hij gaf toch vooral voorrang aan zijn opleiding; hij studeerde aan de Normaalschool in Lier.
Bij het bestuur van de Belgische Voetbalbond viel die clubnaam echter eerder slecht, waardoor de afkorting nadien een andere betekenis kreeg; Tot Herstel Onzer Rechten. Thor speelde verscheidene seizoenen in de hoogste voetbalklasse, won twee maal de Beker van België (in 1980 en 1982) en bereikte in 1983 zelfs de halve finale van de Europabeker voor Bekerwinnaars. In 1988 ging het met FC Winterslag op in Racing Genk.