Mathieu Hinoul
Al jaren reist de Duitse kunstenaar Gunter Demnig met zijn glimmende Stolpersteine door Europa. Met zijn 'struikelstenen', ingewerkt in het troittoir, brengt hij in doordeweekse straten een laagje geschiedenis aan. En die is nooit fraai. In de August Derrestraat 39 in Assebroek, Brugge, voor het geboortehuis van Mathieu Hinoul, vermeldt een messing plaatje zijn naam. Geboren in 1926. Verzetsstrijder. Gearresteerd in september 1943. Vermoord in februari 1945. Het dramatische aandenken voor het onopvallende rijtjeshuis is in lijn met zijn levensverhaal. Dat van een doodgewone volksjongen die, aangevuurd door een drang naar avontuur en idealisme, een gruwelijke lotsbestemming vond.
Weerstand zit in de familie. Onderzoek toont aan dat nogal wat protagonisten het verzet met de paplepel hebben meegekregen. Andrée De Jongh, redster van honderden levens dankzij haar ontsnappingsroute naar Engeland, ging als kind met haar vader jaarlijks bloemen leggen op het graf van Gabrielle Petit, de Brusselse verpleegster die in de Eerste Wereldoorlog haar strijd tegen de Duitsers met de dood bekocht. Tony Lambrechts, de weerstandsleider uit Limburg, betrok met de zegen van zijn vader vijf broers en zussen in de ondergrondse strijd. Het gezin Venckeleers in Mortsel, de familie De Paepe uit Balegem. De voorbeelden zijn legio. Ook Mathieu Hinoul kwam uit een echt verzetsnest. Vader Lambert Hinoul was zélf nog een kind toen de Duitse bezetter zich vastreed in de drassige polders rond de IJzer in de Eerste Wereldoorlog. De vijftienjarige ontvluchtte het Belgisch grondgebied en sloot zich in het neutrale Nederland aan bij het Belgisch leger. Vader en moeder traden in december 1940 toe tot het Belgisch Legioen, een van de eerste ondergrondse verzetsbewegingen in het land. Ze brachten hun zoon in contact met kapitein-commandant de Peneranda de Franchimont, die hem liet beginnen als koerier. Hinoul verspreidde boodschappen onder de sectoren en hielp ondergedoken Joden en politieke vluchtelingen met geld, voedsel of kledij.