Tieners in het verzet: portret van de 14-jarige Mathieu Hinoul

Als het op verzetsstrijders aankwam, deed leeftijd er niet veel toe voor de nazi's. In Brugge stuurden ze zelfs een volledige klas naar de concentratiekampen.

Door Tim Van Steendam - 01/05/2023
Tieners in het verzet: portret van de 14-jarige Mathieu Hinoul

Mathieu Hinoul

Al jaren reist de Duitse kunstenaar Gunter Demnig met zijn glimmende Stolpersteine door Europa. Met zijn 'struikelstenen', ingewerkt in het troittoir, brengt hij in doordeweekse straten een laagje geschiedenis aan. En die is nooit fraai. In de August Derrestraat 39 in Assebroek, Brugge, voor het geboortehuis van Mathieu Hinoul, vermeldt een messing plaatje zijn naam. Geboren in 1926. Verzetsstrijder. Gearresteerd in september 1943. Vermoord in februari 1945. Het dramatische aandenken voor het onopvallende rijtjeshuis is in lijn met zijn levensverhaal. Dat van een doodgewone volksjongen die, aangevuurd door een drang naar avontuur en idealisme, een gruwelijke lotsbestemming vond.
Weerstand zit in de familie. Onderzoek toont aan dat nogal wat protagonisten het verzet met de paplepel hebben meegekregen. Andrée De Jongh, redster van honderden levens dankzij haar ontsnappingsroute naar Engeland, ging als kind met haar vader jaarlijks bloemen leggen op het graf van Gabrielle Petit, de Brusselse verpleegster die in de Eerste Wereldoorlog haar strijd tegen de Duitsers met de dood bekocht. Tony Lambrechts, de weerstandsleider uit Limburg, betrok met de zegen van zijn vader vijf broers en zussen in de ondergrondse strijd. Het gezin Venckeleers in Mortsel, de familie De Paepe uit Balegem. De voorbeelden zijn legio. Ook Mathieu Hinoul kwam uit een echt verzetsnest. Vader Lambert Hinoul was zélf nog een kind toen de Duitse bezetter zich vastreed in de drassige polders rond de IJzer in de Eerste Wereldoorlog. De vijftienjarige ontvluchtte het Belgisch grondgebied en sloot zich in het neutrale Nederland aan bij het Belgisch leger. Vader en moeder traden in december 1940 toe tot het Belgisch Legioen, een van de eerste ondergrondse verzetsbewegingen in het land. Ze brachten hun zoon in contact met kapitein-commandant de Peneranda de Franchimont, die hem liet beginnen als koerier. Hinoul verspreidde boodschappen onder de sectoren en hielp ondergedoken Joden en politieke vluchtelingen met geld, voedsel of kledij.

Rommelasperges

Mathieu Hinoul was veertien jaar toen de Duitse oorlogsmachine ons land veroverde. Leerlingen zoals hij voelden de gevolgen van de bezetting aan den lijve. In scholen kregen de Duitsers lokalen toegewezen om soldaten te stationeren of voorraden te bewaren. De kelders van Hinouls Rijksmiddenschool dienden als schuilkelder voor de Brugse bevolking tijdens bombardementen op de stad. Leerlingen werden opgevorderd om te werken aan de verdedigingslinies aan de kust. In het streng gecontroleerde, want strategisch belangrijke gebied van de kust tot Brugge, Torhout en Diksmuide plaatsten ze verdedigingspalen, in de volksmond gekend als Rommel-asperges. Lessen konden moeilijk doorgaan door een tekort aan leraren, die vaak onder de wapens waren geroepen of als dwangarbeider weggevoerd naar Duitsland.

Vijandige school

Er broeide wat in de Rijksmiddenschool in Brugge. Ruim een jaar na het begin van de bezetting ontving het Militärbefehl in Brussel een nota die uitgebreid verslag uitbracht van de vijandige geest in de middelbare scholen in Brugge. In zijn als geheim aangeduide brief deelde de Verwaltungschef van Feldkommandantur 578 in Brugge mee dat de nota van de lokale vertrouwensman, een zogenaamde V-Mann, door de Geheime Feldpolizei was geverifieerd en juist bevonden. Het stemde hem niet vrolijk. Amper een jaar na het begin van de bezetting was de strijd om de sympathie van de bevolking, door de Duitsers nochtans krachtig gevoerd, verloren. Hij schreef onder andere: “De mentaliteit van de leerlingen en van de jeugd in het algemeen is niet goed. Met uitzondering van onze eigen Vlaams-Nationale jeugd, is de jeugd anglofiel, anti-Duits en anti-Vlaams-nationaal.” Een oorzaak hiervoor was onder andere “de vijandige geest binnen de onderwijsinstellingen”. In de daaropvolgende analyse van het lerarenkorps van acht Brugse scholen worden tientallen leerkrachten of directeurs als anti-Duits, anti-VNV of anglofiel omschreven. Voor de Rijksmiddelbare jongensschool ging het om liefst veertien leerkrachten, waaronder Michel Van Poucke, erkend bevelhebber van het Geheim Leger, Fernand Mullaert, officier, en Theodule Macharis, de stichter van de Brugse afdeling van het Onafhankelijkheidsfront.

Het Onafhankelijkheidsfront stond bekend als een mantelorganisatie van de Kommunistische Partij maar dat belette niet-communisten of zelfs rechtse anticommunisten niet om zich aan te sluiten. Ook al stonden communisten radicaal tegenover de fascistische ideologie, toch hielden ze zich in het eerste oorlogsjaar enigszins afzijdig. Ze waren immers gebonden aan het niet-aanvalspact dat bestond tussen Duitsland en Rusland, het Molotov-Ribbentroppact. Toen Hitler met zijn aanval op Rusland het pact in juni 1941 verbrak, wakkerde hij eigenhandig het ‘linkse’ verzet aan.

De  geschiedenis duwde de veertienjarige Mathieu Hinoul in de armen van een communistische verzetsbeweging, maar dat had op zich geen ideologische betekenis. Het verzet was geen eengemaakt leger, geen monolithisch of centraal aangestuurd blok. Het was een verzameling van individuele acties en onafhankelijke entiteiten die als paddenstoelen uit de grond schoten. Sommige verzetslui droomden van een vrij en democratisch België, anderen van een autoritaire staat met een koning aan het hoofd. Aan communistische zijde verkoos men een staatsorde naar het voorbeeld van de Sovjet-Unie van kameraad Stalin. Soms wisten de verzetslieden aan de basis niet eens tot welke groep ze feitelijk behoorden. A la guerre comme à la guerre. Men had een gemeenschappelijke vijand en het Onafhankelijkheidsfront was met haar militanten en haar structuur op het terrein nu eenmaal aanwezig. Door de nabijheid van de zwaarbewaakte kust, de moeilijkheid van bewegen en het lege ommeland was het verzet in West-Vlaanderen minder strak georganiseerd dan in dichtbevolkte broeinesten als Vlaams-Brabant of Antwerpen.

Het Onafhankelijkheidsfront rekruteerde actief in jongerenmilieus, zoals jeugdbewegingen of sportverenigingen. Net als vandaag waren jongeren ook toen aantrekkelijke rekruten omwille van hun impulsiviteit en grote drang naar rechtvaardigheid. Samen met een andere leerling van de Rijksmiddenschool, Hubert Van Achte, richtte Hinoul de Brugse afdeling van de Revolutionaire Volksjeugd op. De RVJ trad in september 1941 toe tot het ‘Jeugdfront voor de Vrijheid’, de jongerenafdeling van het Onafhankelijkheidsfront. Ze opereerden in cellen van drie personen, waarbij een iemand contacten onderhield met iemand van een andere cel. Hoe minder men wist, hoe minder men kon prijsgeven tijdens de beruchte ondervragingen van de Gestapo.

Verzetsdrukker

Mathieu, oorlogsnaam René, was verantwoordelijk voor de drukpers en de vlugschriften die hij in zijn ouderlijk huis onder toeziend oog van zijn ouders drukte en stockeerde. Hij maakte valse identiteitspapieren voor onderduikers en werkweigeraars en deed aan zogenaamde ‘zachte’ sabotage: het onklaar maken van spoorwegmateriaal in de haven van Brugge, of het doorknippen van door de Duitsers gebruikte telefoonleidingen. Hinoul verzamelde wapens door deze van de Duitsers te stelen, stelde lijsten op van collaborateurs en schilderde V-tekens op door Duitsers bezette gebouwen. Zijn groepje kwam regelmatig samen in het café ‘De Welkom’ gelegen in het Loppemstraatje te Brugge. Maanden eerder zouden ze hun avonden hebben doorgebracht met studeren voor examens, stiekem uitgaan naar afspraakjes en hun eerste baantjes vinden. Nu leerden ze de kunst van sabotage, de manieren van vermomming en misleiding, hoe ze stiekem patrouilles konden ontwijken, geheimen stelen en de vijand, soms met geweld, konden uitschakelen.

De bezetter had de vrije pers met een stevige censuur ingesnoerd. ‘Het Woensdagblad’ weigerde nog te verschijnen, het ‘Journal de Bruges’ en ‘Burgerwelzijn’ werden geschorst. Enkel het ‘Brugsch Handelsblad’ bleef gedrukt worden, onder de redactie van Joe de Troetel, lid van de collaborerende partij DeVlag. Onafhankelijk of anti-Duits nieuws was bijgevolg enkel te verkrijgen via de verboden radio-uitzendingen van Radio België op de BBC, en via de blaadjes van de sluikpers zoals ‘La Libre Belgique’, ‘Vrij België’, ‘Vogelvrij’, ‘De Roode Vaan’ en ‘Brugse Vrije’. Op eenvoudige stencilmachines kon men honderd exemplaren per dag vervaardigen. De stencils waren vaak uitgedroogd en in de winter was de inkt door de kou dik en onbruikbaar. Men zette de inkt op een kachel in de woonkamer, waarin de mislukte bladen en de oude stencils als brandstof werden gebruikt. Ze waren misschien slordig gedrukt, de invloed van dergelijke sluikkrantjes op de moraal van de bevolking mag niet onderschat worden. Ze zetten aan tot volharding, sabotage of hulp in de strijd tegen de Duitse bezetters. Het RVJ-blad ‘De Jonge Werker’ richtte zich specifiek tot de jeugdige arbeiders die in de oorlogsindustrie en de Duitse oorlogseconomie werkten. Het spoorde jongeren voortdurend aan om de productie in het bedrijf op alle mogelijke manieren te saboteren, om het traag werkende amarilpoeder in de carrosserie te strooien, of motorblokken voor een deel doormidden te zagen.

Loopcrossen

Het verzet groeide fors in 1942, onder meer door de verplichte tewerkstelling in Duitsland, de invoering van de jodenster en het strengere bezettingsregime. Hinoul rekruteerde gretig onder zijn medeleerlingen, of bij de leden van Olympic Brugge, de atletiekclub van onder andere de meervoudige Belgische kampioen Julien Saelens. Op de startlijsten van loopcrossen in Vlaanderen, toen nog afgedrukt in het Brugsch Handelsblad, zien we de naam van Hinoul op 23 januari 1942 op de Cross te Assebroek en op de veldloop in Ronse op 24 januari 1943. Bewijzen zijn er niet, maar het valt aan te nemen dat zulke sportevenementen doorheen het land een gedroomd alibi waren om informatie over de provinciegrenzen heen te  dragen, of om krantjes, wapens of boodschappen door te geven. In zijn voortreffelijke boek ‘Schwalbe’, over de Belgische nationale voetbalploeg tijdens de Tweede Wereldoorlog, schetst Kurt Deswert een gelijkaardig beeld. Zowel voor spelers als toeschouwers vormde de feestelijke anarchie tijdens een competitiewedstrijd een vrijhaven voor verzetslui. Omgekeerd grepen de bezetter en zijn handlangers sportmanifestaties aan om razzia’s uit te voeren.

Verklikt

Een ander weerkerend thema in het verzet is verklikking. Hoewel het verzet begon als een heroïsche strijd tegen de buitenlandse onderdrukker, draaide ze na verloop van tijd vaak uit op een lokaal messengevecht tussen verzetslieden en collaborateurs, op een vendetta van wraak en weerwraak die tot vandaag zijn sporen nalaat. Op 21 september 1943 werd Mathieu Hinoul met nog een paar anderen gearresteerd terwijl hij telefoonkabels aan het doorsnijden was te Oostkamp.

Wie vecht als een volwassene, wordt berecht als een volwassene. Op 21 november 1943 verdween Hinoul naar het Duitse strafkamp Esterwegen en anderhalf jaar later naar kamp Börgermoor, waar men hem onderwierp aan dwangarbeid. Terwijl men hem in maart 1944 overbracht naar het tuchthuis Groß Strehlitz in Polen zetten de Duitse Feldgendarmen thuis grote razzia's op om studiemeester Abraham Delatere en maar liefst 17 andere leerlingen op school en thuis te arresteren, waaronder de broers Hubert en Norbert Van Achte. Een paar dagen na de invasie in Normandië ging hun proces onder grote belangstelling van de Brugse bevolking door. Wegens hulp aan het verzet werd Delatere veroordeeld tot twintig jaar tuchthuis, de andere tieners kregen gevangenisstraffen van een tot tien jaar in Duitsland. Vijf onder hen zouden de kampen niet overleven. Ook Mathieu Hinoul zou aan zijn helletocht bezwijken. Zwaar ziek en geheel verzwakt zetten de Duitsers, opgejaagd door de geallieerden in het westen en de Russen in het oosten, hem in februari 1945 op een transport naar het concentratiekamp van Bergen-Belsen. Van de duizend gevangenen zouden slechts 300 de reis overleven. Ook Mathieu Hinoul haalde de eindbestemming niet. Hij stierf ergens onderweg. Zijn lichaam is nooit teruggevonden.

Tragisch is het feit dat vader Lambert en moeder Albertine de oorlog wél overleefden. Lambert trok verschillende keren naar Duitsland om zijn zoon op te sporen, zonder resultaat. Het enige wat hem restte was een postume erkenning. In juni 1948 dient Lambert Hinoul als rechthebbende een verzoek in bij de Consultatieve Commissie voor Politieke Gevangenen van Brugge tot erkenning van zijn zoon als Politiek Gevangene. Zulke aanvragen, in de krant bekendgemaakt, deden het gecontesteerde imago van het verzet geen deugd. Want de vendetta ging na de oorlog verder, door bezwaren in te dienen tegen de erkenning van deze of gene weerstander, of tegen opportunisten of overlopers die ook een dossier indienden. Het duurde jaren voor de regering alle dossiers kon verwerken. Voor de nabestaanden van Mathieu volgde het goede nieuws in augustus 1949. Bij Regentsbesluit kende men hem het Ridderkruis in de Orde van Leopold II, het Oorlogskruis 1940 en de Medaille van de Weerstand postuum toe. Met de plaatsing van de Stolpersteine in de August Derrestraat te Assebroek blijft nu ook zijn herinnering bestaan.
Meer interessante artikels