Over het hele land verzamelen agenten strategische informatie over de Duitse bezetting. Londen is werkelijk in alles geïnteresseerd: van het adres van de hoofdkwartieren van de Gestapo, over de omvang van de militaire transporten tot de organisatie van de Duitse communicatielijnen. Via lokale ‘postbussen’ worden de rapporten samengesteld, gecontroleerd en gesystematiseerd.
Vervolgens gaan ze naar regionale centrales, waar een nieuwe controle plaatsvindt. De nationale centrale stelt op basis daarvan het definitieve rapport op, dat wordt klaargemaakt voor verzending naar de geallieerden. Een veelgebruikte transportmethode bestaat uit het omzetten van rapporten naar microfilms, die in alledaagse voorwerpen zoals poppen, aanstekers, haarborstels ... worden verstopt en via uiteenlopende routes naar de geallieerde hoofdkwartieren worden gebracht.
Clarence blinkt uit in technische innovatie en ontwikkelt een uniek procedé waarbij microfilms enkel door ingewijden, met behulp van een specifieke chemische formule, kunnen worden ontwikkeld. Gaandeweg wordt ook steeds vaker gebruikgemaakt van zendapparatuur. In de beginmaanden, wanneer de contacten met Londen nog niet hersteld zijn, bouwt Clarence zelfs eigen, geïmproviseerde zenders. Uitzenden blijft riskant: langer dan twintig minuten mag men niet in de ether blijven, omdat de Duitse bezetter met rondrijdende goniometers de zendlocatie nauwkeurig kan bepalen. Later ontwikkelen de Britse en Amerikaanse diensten minder gevaarlijke technieken.
Opmerkelijk is ook het gebruik van postduiven. De Britse geheime dienst dropt duiven in bezet Europa om ze met berichten naar Groot-Brittannië te laten terugkeren. De dieren worden zorgvuldig getraind, maar na verloop van tijd ontdekt de Duitse bezetter ook deze methode. Het houden van duiven, een populaire Belgische volkssport, wordt verboden en bestraft, zelfs met dwangarbeid.
Wanneer de informatie Groot-Brittannië bereikt, komt ze terecht bij de Secret Intelligence Service (SIS), de Belgische Staatsveiligheid en de Belgische regering in ballingschap. De strategische waarde van Clarence en andere Belgische inlichtingennetwerken mag uit het volgende blijken. In zijn memoires bewierookt Winston Churchill ze zelf nadrukkelijk: “Zo kwamen wij in 1942 meer en meer te weten over de Duitse verdediging. Wanneer ik over agenten en bevriende neutralen spreek, wil ik eerlijkheidshalve speciaal de Belgen vernoemen; in 1942 bezorgden ze ons ongeveer 80 % van alle agenteninlichtingen hieromtrent. (...) Einde 1942 wisten wij niet alleen hoe het vijandelijk systeem werkte, maar ook hoe wij het aan moesten pakken.”