Het geheime leven van Andrée Geulen: een Brusselse juf die honderden Joodse kinderen redde

Sommige verzetsverhalen blijven jarenlang verborgen, zelfs voor de eigen familie. Pas decennia later ontdekten Anne en Catherine hoe hun moeder, Andrée Geulen, tijdens de Tweede Wereldoorlog uitgroeide tot een van de sleutelfiguren in het reddingsnetwerk voor Joodse kinderen in bezet België. Wat begint als een familiegeschiedenis, ontvouwt zich als een verhaal over moed, verlies en de kracht van menselijke solidariteit.

Door Dany Neudt - 13/09/2026
Helden van het verzet
Sommige verzetsverhalen komen pas tientallen jaren later aan het licht. Zo verging het ook Anne en Catherine, de dochters van verzetsvrouw Andrée Geulen. Tijdens een recent Verzetscafé getuigden de zussen dat ze als kind wisten dat hun moeder tijdens de oorlog actief was geweest in het Joods Verdedigingscomité en dat hun grootouders langs vaderskant in Auschwitz waren vermoord. Maar thuis werd nauwelijks over de oorlog gesproken. De blik was gericht op het heden en vooral de toekomst.
Pas veel later begonnen de puzzelstukken in elkaar te vallen. De geredde enfants cachés (verborgen kinderen), inmiddels zelf grootouders, gingen op zoek naar hun verleden. Via hun getuigenissen en talrijke mediareportages ontdekten Catherine en Anne geleidelijk de uitzonderlijke rol die hun moeder had gespeeld bij de redding van Joodse kinderen in bezet België.
Andrée Geulen omschreef zichzelf later als een braaf meisje uit een gezin waar nauwelijks over politiek werd gesproken. Toch had ze al op jonge leeftijd een sterk rechtvaardigheidsgevoel. Als tiener hielp ze voedsel- en kledingpakketten samenstellen voor republikeinse vluchtelingen die hun land waren ontvlucht na de Spaanse Burgeroorlog.
In 1942 was Andrée 21 jaar en onderwijzeres in een school in de Brusselse Marollen. In deze volkswijk woonden veel Joodse gezinnen afkomstig uit Polen, Duitsland, Hongarije en Roemenië.
"Ik heb geleerd dat men zich niet hoeft neer te leggen bij onrechtvaardige wetten" – Andrée Geulen

De gele ster

n juni 1942 merkte Andrée dat enkele leerlingen plots een gele ster op hun kleding droegen. Verontwaardigd zei ze dat ze die moesten verbergen onder een trui of schort, zodat niemand ze kon zien. Pas dan drong de gruwel van de anti-Joodse maatregelen door de nazistische bezetter volledig tot haar door.
Die zomer werkte Andrée als begeleidster in een vakantiekolonie. Daar vertrouwde een zevenjarige jongen haar een geheim toe: “Juffrouw Andrée, ik zal je iets vertellen. René is niet mijn echte naam. Ik heet Simon. Ik ben Joods. Maar je mag het aan niemand zeggen, want mijn ouders zouden erg boos op me zijn.” Dat moment liet haar niet meer los.
Toen de school in september opnieuw begon, waren verschillende leerlingen verdwenen die een gele ster hadden moeten dragen. Tijdens de zomer hadden de nazi's grootschalige razzia's gehouden in de Marollen, in de rest van Brussel en in Antwerpen. Hele families waren opgepakt. Later beschreef Andrée deze gebeurtenissen als het beslissende keerpunt in haar leven. De relatief zorgeloze jonge vrouw maakte plaats voor een verzetsvrouw.

Een schakel in een ketting

Via een vriendin kwam Andrée terecht bij de kinderafdeling van het Joods Verdedigingscomité, een verzetsorganisatie die binnen het Onafhankelijkheidsfront was opgericht. Het comité zocht niet-Joodse vrijwilligers om kinderen van de deportatie te redden en in veiligheid te brengen.
Andrée bleek ideaal voor die taak. Ze had blond haar en blauwe ogen, een goed contact met kinderen, sprak Duits, was vindingrijk en beschikte over een stevige dosis lef. Bovendien liep een niet-Joodse vrouw minder risico wanneer ze met kinderen door de stad reisde.
Begin 1943 stopte ze met lesgeven, zodat ze zich voltijds op het ondergrondse verzet kon toeleggen. Haar opdracht was eenvoudig, maar levensgevaarlijk: kinderen ophalen van wie de ouders hulp hadden gevraagd en hen naar een veilige schuilplaats brengen. Om veiligheidsredenen mocht ze de ouders nooit vertellen waar hun kind terecht zou komen.
Later benadrukte Andrée dat ze slechts één schakel was in een indrukwekkende solidariteitsketen. Het Joods Verdedigingscomité kon rekenen op een netwerk van 138 instellingen, waaronder kloosters, weeshoizen, internaten en sanatoria, en op ongeveer 700 particuliere gezinnen. Vrouwen speelden daarin een sleutelrol. Sommigen verzamelden informatie over bedreigde gezinnen, anderen zochten opvangplaatsen of begeleidden kinderen naar hun schuiladres.
Het succes van deze reddingsoperaties was bovendien afhankelijk van talloze anonieme helpers: gemeentepersoneel dat valse documenten bezorgde, spoorwegmedewerkers die een oogje dichtknepen, postbodes, drukkers en vele anderen.
Word steunend lid en houd de herinnering levend.
Samen zorgen we dat elke Belg tegen 2030 een verzetsheld kent en onze jongeren democratisch weerbaarder worden. Dat kan alleen met jouw steun. Vanaf 5 euro per maand sta je samen met ons op voor verzet, democratie en mensenrechten. We ontvangen geen vaste overheidssubsidie; jouw bijdrage maakt het verschil.
Helden van het verzet

Tussen legaliteit en clandestiniteit

Het Joods Verdedigingscomité (JVC) functioneerde in een complexe omgeving. In november 1941 had de bezetter de Vereniging van de Joden in België (VJB) opgericht, naar het voorbeeld van de Joodse raden elders in bezet Europa. Officieel moest deze organisatie sociale hulpverlening en onderwijs voor de Joodse gemeenschap organiseren.
Binnen het JVC werd de VJB doorgaans met veel wantrouwen bekeken. Velen zagen de organisatie als een instrument van de bezetter. Na de grote razzia's van de zomer van 1942 ontstond bovendien het Main d'Oeuvre Immigrée (MOI), een verzetsorganisatie die zich fel keerde tegen de gezagsgetrouwe houding van de VJB. Leden van het MOI pleegden sabotageacties tegen de organisatie en brachten in augustus 1942 Robert Holzinger om het leven, een Duitse Jood die voor de VJB werkte.
Toch was de werkelijkheid minder zwart-wit dan vaak wordt aangenomen. Achter de schermen ontstonden contacten tussen personen die actief waren binnen beide organisaties. Zo waren David Ferdman en Chaim Perelman zowel betrokken bij de VJB als bij het JVC. Dankzij hun positie kregen zij toegang tot informatie over het Jodenbeleid van de bezetter. Bovendien vloeiden middelen uit de VJB door naar clandestiene hulp- en verzetsactiviteiten. Die grijze zone tussen legaliteit en clandestiniteit speelde een belangrijke rol in het redden van duizenden Joodse kinderen en volwassenen.
Het JVC kon alleen succesvol zijn dankzij de samenwerking met mensen buiten de eigen organisatie. Een van de belangrijkste bondgenoten was Yvonne Nèvejean, directrice van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn. Toen de deportaties in 1942 begonnen, stelde zij het uitgebreide netwerk van kindertehuizen ter beschikking van het reddingswerk. Samen met haar medewerkers zorgde ze ervoor dat talloze Joodse kinderen konden worden verborgen in instellingen en gastgezinnen, en zo aan de deportatie ontsnapten.
Ook de benedictijn Bruno Reynders speelde een belangrijke rol. De monnik van de abdij van Keizersberg in Leuven hielp tijdens de oorlog wellicht meer dan 300 Joodse kinderen onderduiken. Vaak bracht hij hen persoonlijk naar hun schuilplaats en moest hij zich langs Duitse controles bluffen. Toen de Gestapo in 1944 zijn activiteiten ontdekte, dook hij zelf onder.
"Sindsdiens behoorden karamellen tot haar standaarduitrusting"

Chokotoffs en een ijzeren geheugen

De verzetskringen wisten dat de opgepakte Joden naar de Dossinkazerne in Mechelen werden gebracht en vandaar per trein naar Duitsland werden weggevoerd. Wat was de bestemming? Wat gebeurde er met deze gedeporteerden? Hardnekkige geruchten spraken over slachtpartijen in Oost-Europa.
Victor Martin, verzetsman bij het Onafhankelijkheidsfront, kreeg in oktober 1942 de opdracht voor een gevaarlijke missie: proberen meer te weten te komen. Na vele avonturen die hem naar Duitsland en vervolgens naar Polen brachten, keerde hij in maart 1943 terug met sluitend bewijs: de treinen die uit Mechelen vertrokken, eindigden in Auschwitz-Birkenau. De Joden die niet in staat waren om te werken, werden bij aankomst vergast.
Vanaf dat moment wist het JVC met grote zekerheid wat er op het spel stond. Iedere arrestatie kon een doodvonnis betekenen. Voor Andrée en haar collega's werd elke dag een race tegen de klok.
Ondanks de ernst van haar werk, vertelde Andrée later ook graag anekdotes. Zo zat ze ooit met een zesjarige jongen op de trein naar zijn schuilplaats. Een Duitse militair begon het kind aandachtig te bekijken. Bang dat hij zijn echte naam zou noemen of Jiddisch zou spreken, stopte Andrée hem snel een chokotoff in de mond. De soldaat zag af van een gesprek.
Tijdens een andere controle droeg ze een papiertje met het adres van een schuilplaats op zak. Toen ze werd tegengehouden, memoriseerde ze bliksemsnel het adres en slikte het papiertje door. Vanaf dat moment vertrouwde ze uitsluitend op haar geheugen. Honderden adressen kende ze uit het hoofd.
Toen haar collega Ida Sterno werd gearresteerd en de Gestapo het appartement dat zij deelden doorzocht, moest Andrée zelf onderduiken. Ze verfde haar haar, veranderde van kapsel en gebruikte opvallende make-up. Haar eigen moeder herkende Andrée niet toen ze aanbelde. Alleen de gezondshond vloog enthousiast op haar af.
Helden van het verzet

De zwaarste opdracht

Het JVC ontwikkelde een ingenieus systeem om kinderen te beschermen zonder het overzicht te verliezen. Gegevens werden verdeeld over verschillende schriftjes. Namen, schuilnamen en adressen werden afzonderlijk geregistreerd en met codes aan elkaar gekoppeld. Zo bleef de informatie waardeloos wanneer een van de schriftjes in handen van de Gestapo zou vallen.
Toch was niet het gevaar de zwaarste last voor Andrée. “Kinderen weghalen bij hun ouders was het zwaarste wat ik ooit heb gedaan”, vertelde ze later. “Ik kon de moeders niet vertellen waar hun kinderen terechtkwamen. Dat was hartverscheurend. Als ik toen zelf kinderen had gehad, weet ik niet of ik het had gekund.” Zelfs een halve eeuw later brachten die herinneringen haar nog tot tranen.

Een leven vol engagement

Na de bevrijding hielp Andrée overlevende ouders hun kinderen terug te vinden. Voor wezen zocht ze familieleden of een nieuwe opvangplaats. Later werkte ze in Duitsland voor organisaties die gedeporteerden, krijgsgevangenen en ontheemden ondersteunden.
Ook na haar pensionering bleef ze actief. Ze bezocht scholen om jongeren te waarschuwen voor racisme, antisemitisme en dictatuur. Daarnaast bleef ze corresponderen met enfants cachés die hun verleden probeerden te reconstrueren.
Op haar tachtigste vat ze zelf samen wat de oorlog haar had geleerd: “Ik heb het racisme gekend, zijn verschrikkingen en zijn onvoorstelbare domheid. Daarom ben ik voor altijd antiracist gebleven. Ik heb geleerd dat men zich niet hoeft neer te leggen bij onrechtvaardige wetten. Die geest van verzet en waakzaamheid heb ik altijd behouden.”
Andrée Geulen bleef haar hele leven trouw aan die overtuiging. Misschien ligt daarin wel haar belangrijkste nalatenschap: de overtuiging dat gewone mensen, wanneer het nodig is, buitengewone keuzes kunnen maken.

Word steunend lid van Helden van het Verzet

Deze tekst verscheen oorspronkelijk in het driemaandelijkse Heldenmagazine voor de leden van vzw Helden van het verzet. Na de verschijning van het magazine plaatsen we een selectie aan artikels op de website. Wil je ons unieke Heldenmagazine boordevol informatie over het Belgische verzet en democratische weerbaarheid ook in je brievenbus ontvangen? Via deze link word je steunend lid en geef je onze werking vleugels.
Word steunend lid en houd de herinnering levend.
Samen zorgen we dat elke Belg tegen 2030 een verzetsheld kent en onze jongeren democratisch weerbaarder worden. Dat kan alleen met jouw steun. Vanaf 5 euro per maand sta je samen met ons op voor verzet, democratie en mensenrechten. We ontvangen geen vaste overheidssubsidie; jouw bijdrage maakt het verschil.