Zo belandde Spanje, vijftig jaar geleden, bij een transitie waarvan het verwrongen beeld jarenlang dominant is geweest. De transitie werd ons voorgesteld als een gentlemen’s agreement tussen verlichte leden van de dictatuur en gematigde, pragmatische figuren van de democratische oppositie. De dominante versie luidde dat ze elkaar hoffelijk de hand schudden, afspraken de oude koeien in de gracht te laten en samen de toekomst in te stappen.
Het is een sterk staaltje van historiografie van bovenaf waarbij de heldenrol van koningen en veldheren vervangen is door die van beschaafde visionaire politici, niet toevallig allemaal mannen. En één koning, de door de dictator aangewezen opvolger. Wat hier precies buiten beeld werd geplaatst – naast het bloed op de handen van de visionaire politici uit de dictatuur en hun door diefstal verworven rijkdom - is dat verzet, dat antifranquisme, in zijn verscheidene verschijningsvormen.
Een verzet dat zo sterk was dat het aanvankelijke plan van de dictatuur, een franquisme na en zonder Franco, niet kon voortgezet worden. Maar ook, een verzet dat tegelijkertijd niet sterk genoeg was om op dat moment - toen wereldwijd de eerste economische recessie van de twintigste eeuw zich liet gelden - een radicale breuk met de dictatuur op te leggen. Hier past de boutade van de helaas te snel overleden Catalaanse auteur Manuel Vázquez Montalbán dat de Spaanse transitie geen krachtsverhouding weerspiegelde maar een ‘zwakteverhouding’: de dictatuur die te zwak was om onveranderd door te gaan en de oppositie die te zwak was om een radicale breuk te bewerkstelligen.
Binnen die maatschappelijke ‘zwakteverhouding’ voltrok zich een strategie vanuit het hart van de dictatuur waarin zonder breuken of brokken van de wetten van de dictatuur via nieuwe wetten tot democratische wetten werd gekomen, aldus de fameuze uitspraak van Torcuato Fernández-Miranda, jurist van het franquisme, kopstuk van de dictatuur, die samen met koning Juan Carlos en premier Adolfo Suárez de geschiedenis zijn ingegaan als de ‘architecten’ van de democratie: ‘de la ley a traves de la ley a la ley’.
Wat Spanje kreeg – onder welwillend toeziend oog van het Europa in wording en van de Verenigde Staten – was een verschuiving van militaire dictatuur naar parlementaire monarchie via democratische verkiezingen, een amnestiewet en een nieuwe grondwet. Waarbij de instellingen, economische machtsverhoudingen en figuren van de dictatuur onveranderd en ongeschonden de democratie intraden. Een dictatoriaal leger schoof intact de democratie binnen. Idem voor de magistratuur. Rechters van de dictatoriale uitzonderingsrechtbanken gingen ’s avonds slapen en werden ’s ochtends wakkers als rechters van de democratie. Als Duitsland na twaalf jaar en Oostenrijk na zeven jaar nazi-heerschappij nadien problemen hadden met een gebrekkige denazificering, wat zou er dan kunnen mislopen met een land dat 36 jaar Franco-dictatuur had zonder de minste de-francoïsering?