Onvoltooid verzet. Spanje en Europa, 1936-2026

Nieuwjaarslezing vzw Helden van het Verzet Brussel, Huis van de Mens, 8 februari 2026.

Door Vincent Scheltiens Ortigosa - 08/02/2026
Helden van het verzet
Laat me beginnen met twee verjaardagen in herinnering te brengen. Vorig jaar, in de herfst van 2025, was het een halve eeuw geleden dat  in Spanje de transitie van dictatuur naar democratie werd ingezet. Die dictatuur was er gekomen na een mislukte militaire staatsgreep tegen de wettelijke republiek. 

Ondanks de grote machtsconcentratie waarop de opstandige militairen konden steunen, mislukte hun staatsgreep. Zowat het hele leger, de kerkelijke hiërarchie, de aristocratie, de grootgrondbezitters, de aanhangers van de in 1931 gevluchte koning en de volgelingen van een concurrerende troonpretendent, allerlei politieke reactionairen, extreemrechtse falangistische paramilitairen en – niet in het minst – het fascistische Italië van Mussolini en het nazistische Duitsland van Hitler… het mocht niet baten. Wat een zoveelste pronunciamiento had moeten worden – omzeggens een korte, krachtige paleisrevolutie - mondde uit in een burgeroorlog. 

Dit jaar - en daar hebben we onze tweede verjaardag - zal het 90 jaar geleden zijn dat die burgeroorlog op 17 en 18 juli 1936 begon. 

Het verzet van onderop

Ongeveer duizend dagen en 600.000 gedode mensenlevens later zouden de opstandige militairen het pleit winnen en één van Europa’s langst durende dictaturen instellen. Die hield 36 jaar stand en nam een aanvang toen op 1 april 1939 de kolonnes van generaal Franco de hoofdstad binnenmarcheerden. Dezelfde hoofdstad, Madrid, die gedurende heel de burgeroorlog symbool had gestaan voor het internationale antifascistische verzet met het door Nederlandstaligen bijna altijd verkeerde gespelde ‘No pasarán’ en ook het Madrid ‘que será tumba del fascismo’, het Madrid dat ‘het graf van het fascisme’ zou worden’ Helaas niet.
Dat de staatsgreep in de zomer van 1936 niet lukte had alles te maken met verzet van onderop. – Vincent Scheltiens Ortigosa
Dat de staatsgreep in de zomer van 1936 niet lukte had alles te maken met verzet van onderop. Ondanks hun overdonderend militair overwicht zagen de putschisten hun hoop op een snelle zege van de opstand in rook opgaan toen ze in de metropolen Madrid en Barcelona, net als in de meeste andere grote steden, verslagen werden. Dat was niet het werk van de republikeinse regering. Die was meteen geïmplodeerd. Het massale verweer was er prompt gekomen van de organisaties van de arbeidersklasse, vakbonden linkse politieke partijen en groepen. Hun leden en sympathisanten gingen de straat op, trokken barricaden op, eisten of veroverden wapens en voertuigen. Via straatgevechten, omsingeling en verovering van kazernes konden ze verhinderen dat steden en regio’s in handen vielen van de opstandelingen.
Inderhaast vormden de arbeidersorganisaties milities en comités die op vele plaatsen het ontstane machtsvacuüm opvulden. De Britse ambassadeur Henry Chilton vatte de situatie samen als een strijd van “rebel versus rabble”, opstandelingen tegen uitschot, en oordeelde dat de militaire opstandelingen de belangen van “onze klasse” verdedigden terwijl een republikeinse zege een “rood” Spanje zou opleveren.

De nieuw op de been gebrachte republikeinse regering moest vaststellen dat ze de helft van het territorium aan de opstandelingen kwijt was en gaf na amper één dag de leiding door aan alweer een nieuw kabinet. De regering besefte eveneens dat de militaire rebellie in aanzienlijke delen van wat vanaf dan de republikeinse zone werd genoemd beantwoord was met een sociale revolutie, met Catalonië als epicentrum. Spanje was geografisch, militair en politiek in twee verdeeld. Wat volgde was een burgeroorlog die militair de vorm aannam van een stellingenoorlog waarbij het militaire overwicht van de opstandelingen, versterkt door Italiaanse en nazi-Duitse grond- en luchteenheden, de doorslag zou geven.
Maar er was meer aan de hand. De zo net geciteerde reactie van de Britse ambassadeur hoeft niet te verbazen. Het Verenigd Koninkrijk had de militaire opstandelingen logistiek een handje geholpen en zou – samen met Frankrijk – aan de basis liggen van één van de fundamentele oorzaken van de uiteindelijke overwinning van de opstandelingen: de afspraak om in dit zogeheten binnenlands conflict niet tussenbeide te komen.
Frankrijk sloot op 8 augustus zijn grens met Spanje en ijverde, samen met het Verenigd Koninkrijk, voor een niet-interventiepact. Ook vanuit de Verenigde Staten droeg buitenlandminister Cordell Hull zijn ambassadeur in Spanje meteen op zich “strikt te onthouden van elke inmenging in de ongelukkige Spaanse situatie”. In totaal zouden 27 landen dit doen.
Onder impuls van de socialistische buitenlandminister Paul-Henri Spaak sloot België, bestuurd door het driepartijenkabinet-Van Zeeland, in nauw overleg met Frankrijk en het VK, zich bij deze niet-interventiepositie aan en ondertekende het pact op 28 augustus 1936. Al deze landen betreurden “de tragische gebeurtenissen waarvan Spanje het toneel was”. Ze spraken af zich te houden aan een absolute neutraliteit en strikt af te zien van elke rechtstreekse of onrechtstreekse inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van het land. Uitvoer en doorvoer van wapens, munitie en oorlogsmateriaal naar Spanje waren uit den boze. Er mochten evenmin vrijwilligers geronseld worden. Met dit soort formuleringen en maatregelen plaatsten de Noord-Amerikaanse en Europese staten een wettelijke regering en rebellerende extreemrechtse militairen op voet van gelijkheid.
Word steunend lid en geef onze werking vleugels
Onze werking krijgt geen vaste subsidie. We kunnen jouw financiële steun dus goed gebruiken! Word vandaag nog steunend lid! Je maakt een historisch onrecht ongedaan, ontvangt het Heldenmagazine, steunt onze projecten en maakt deel uit van een levendige community.
Spanje is dan wel deel van een schiereiland door de Pyreneeën gescheiden van het continent maar in weerwil van veel karikaturale beeldvorming vormde het geenszins een uitzondering op de politieke en maatschappelijke radicalisering die zich in het interbellum in heel Europa voordeed. De burgeroorlog was, in schril contrast met de beweringen van Engelse en Franse politici, in geen enkel opzicht een lokaal conflict. Het was evenmin een uiting van Spaans atavisme. Het werd meteen een internationale oorlog op Spaanse bodem. Het tot de zomer van 1936 in Europees opzicht wat marginale Spanje werd plotsklaps een hoofdbekommernis van de voornaamste Europese machten op een continent dat gekenmerkt werd door de crisis van haar democratieën.
 Deze donkere bladzijde had een keerzijde. Die van het verzet, in zijn meest heroïsche maar ook meest tragische vorm. Slecht bewapende en militair niet getrainde arbeidersmilities die er wel in geslaagd waren in hun steden de opstand neer te slaan vormden kolonnes en trokken naar wat voortaan frontlijnen waren. Ze deden dat bij wijze van spreken, maar in sommige gevallen letterlijk, in arbeidersoveralls en op espadrilles, zonder noemenswaardige bevoorrading. Grotendeels werd dit manco gecompenseerd door een revolutionair elan. 
Naast fascistisch Italië en nazi-Duitsland zou ook de Sovjet-Unie van Jozef Stalin het niet-interventiepact aan de laars lappen en, niet zonder aanvankelijke aarzeling, de bij de keel gegrepen republiek ter hulp snellen. Het hielp de regering, die alweer van samenstelling was veranderd, een soort van gedisciplineerd volksleger te vormen. De milities werden ontbonden. De vrouwen werden terug naar de achterhoede of huiswaarts gestuurd. De critici van Moskou werden eerst belasterd en daarna vervolgd. In beslag genomen en gecollectiviseerde gronden en bedrijven werden terug in privéhanden gegeven. Orde en tucht werden ingesteld in naam van de militaire slagkracht en om de burgerlijke democratieën van Europa tot solidariteit te bewegen. Zowel het ene als het andere zou uiteindelijk niet het beoogde resultaat opleveren.
Maar de prijs die de Sovjets de republiek vroegen was exorbitant. Niet alleen kostte het Spanje zijn goudvoorraad maar bovenal werden – terwijl in Moskou de zuiveringen en showprocessen aan de gang waren – dezelfde heksenjachten binnen het republikeinse kamp georganiseerd.
Militair overwicht van de tegenstander, de democratische grootmachten die je de rug toekeren en interne verdeeldheid… daarmee schrijf je de kroniek van een aangekondigde nederlaag.
Niet elk antinazistisch verzet kwam als winnaar uit de Tweede Wereldoorlog. – Vincent Scheltiens Ortigosa
De republiek streed tot de laatste snik en zelfs die nederlaag ontnam haar niet de hoop. Want amper de burgeroorlog achter de rug brak de Tweede Wereldoorlog uit. Vele gevluchte Spanjaarden sloten zich in Frankrijk aan bij het verzet tegen de nazi-bezetter. Velen bekochten dat met hun leven. Het concentratiekamp Mauthausen puilde uit van Spaanse republikeinen.
 De hoop werd aan diggelen geslagen in Jalta en Potsdam. Als eerst Mussolini en dan Hitler verslagen waren, moest Franco – die mede door hen zijn dictatuur had kunnen instellen – toch ook verdwijnen? Edoch, de antifascistische bondgenoten van gisteren waren de communistische vijanden van morgen geworden. Terwijl in Noord- en West-Europa, de overwinning op het nazisme en de herwonnen vrijheid gevierd werden, lieten de geallieerden Franco – die nu een bondgenoot was in de strijd tegen het communisme – zitten. Terwijl onder zijn dictatoriaal gezag het fusilleren van republikeinen onverminderd doorging, was de fascist van kort ervoor de ‘schildwacht’ van het vrije westen geworden. Anders gezegd. In een opstartende Koude Oorlog betaalden de Spanjaarden én de Portugezen deze perfide geopolitieke berekening met een kleine vier decennia dictatuur. Niet elk antinazistisch verzet kwam als winnaar uit de Tweede Wereldoorlog. In die Franco-dictatuur ontwikkelde zich een nieuw verzet. 

Nieuwe syndicale organisatie, nieuwe wijk- en buurtwerkingen, studentenorganisaties, gewapende strijd – eerst de republikeinen van de burgeroorlog die vanuit het gebergte een guerrilla volhielden; daarna gewapende organisaties van een nieuwe generatie die aanslagen pleegden op symbolen en verantwoordelijken van de dictatoriale repressie. Dat clandestiene verzet – het antifranquismo - zwol aan. Ondanks arrestaties, folteringen, militaire rechtbanken, invoering van de staat van beleg, binnenlandse verbanningen, gevangenis- en doodstraffen via het vuurpeloton of de wurgpaal… Geen helden, maar gewone mensen die buitengewone dingen deden brachten de dictatuur in het nauw en konden rekenen op brede, intense solidariteit in het buitenland.

Wat buiten het beeld van geschiedenis bleef

Zo belandde Spanje, vijftig jaar geleden, bij een transitie waarvan het verwrongen beeld jarenlang dominant is geweest. De transitie werd ons voorgesteld als een gentlemen’s agreement tussen verlichte leden van de dictatuur en gematigde, pragmatische figuren van de democratische oppositie. De dominante versie luidde dat ze elkaar hoffelijk de hand schudden, afspraken de oude koeien in de gracht te laten en samen de toekomst in te stappen.
Het is een sterk staaltje van historiografie van bovenaf waarbij de heldenrol van koningen en veldheren vervangen is door die van beschaafde visionaire politici, niet toevallig allemaal mannen. En één koning, de door de dictator aangewezen opvolger. Wat hier precies buiten beeld werd geplaatst – naast het bloed op de handen van de visionaire politici uit de dictatuur en hun door diefstal verworven rijkdom - is dat verzet, dat antifranquisme, in zijn verscheidene verschijningsvormen.
Een verzet dat zo sterk was dat het aanvankelijke plan van de dictatuur, een franquisme na en zonder Franco, niet kon voortgezet worden. Maar ook, een verzet dat tegelijkertijd niet sterk genoeg was om op dat moment - toen wereldwijd de eerste economische recessie van de twintigste eeuw zich liet gelden - een radicale breuk met de dictatuur op te leggen. Hier past de boutade van de helaas te snel overleden Catalaanse auteur Manuel Vázquez Montalbán dat de Spaanse transitie geen krachtsverhouding weerspiegelde maar een ‘zwakteverhouding’: de dictatuur die te zwak was om onveranderd door te gaan en de oppositie die te zwak was om een radicale breuk te bewerkstelligen.
Binnen die maatschappelijke ‘zwakteverhouding’ voltrok zich een strategie vanuit het hart van de dictatuur waarin zonder breuken of brokken van de wetten van de dictatuur via nieuwe wetten tot democratische wetten werd gekomen, aldus de fameuze uitspraak van Torcuato Fernández-Miranda, jurist van het franquisme, kopstuk van de dictatuur, die samen met koning Juan Carlos en premier Adolfo Suárez de geschiedenis zijn ingegaan als de ‘architecten’ van de democratie: ‘de la ley a traves de la ley a la ley’.
Wat Spanje kreeg – onder welwillend toeziend oog van het Europa in wording en van de Verenigde Staten – was een verschuiving van militaire dictatuur naar parlementaire monarchie via democratische verkiezingen, een amnestiewet en een nieuwe grondwet. Waarbij de instellingen, economische machtsverhoudingen en figuren van de dictatuur onveranderd en ongeschonden de democratie intraden. Een dictatoriaal leger schoof intact de democratie binnen. Idem voor de magistratuur. Rechters van de dictatoriale uitzonderingsrechtbanken gingen ’s avonds slapen en werden ’s ochtends wakkers als rechters van de democratie. Als Duitsland na twaalf jaar en Oostenrijk na zeven jaar nazi-heerschappij nadien problemen hadden met een gebrekkige denazificering, wat zou er dan kunnen mislopen met een land dat 36 jaar Franco-dictatuur had zonder de minste de-francoïsering?

De onvolmaakte democratie

De klok geeft het aan: we zitten in het nog prille 2026.
Vandaag is Spanje wel degelijk een democratie. Geen enkele democratie is immers volmaakt of voltooid. Het is de vierde economie van de Europese Unie, een constructie waarvan het één van de stichtende leden was. Het is de enige lidstaat die geregeerd wordt door een links kabinet, een minderheidskabinet dat in het parlement de nipte en wankele gedoogsteun krijgt van zowel rechtse als linkse partners, bedreigd door een combinatie van rechts met extreemrechts, een combinatie die onbeschaamd regeerde in vijf van de zeventien autonome gemeenschappen en – nog steeds - in meer dan honderd steden en gemeenten.
Want in het Spanje van vandaag is extreemrechts terug van nooit weggeweest. Toen in de transitie de bladzijde werd omgeslagen zonder ze collectief gelezen te hebben, werd de weg niet alleen geopend naar amnestie – en straffeloosheid voor de misdaden tegen de menselijkheid – maar ook amnesie. Er is het niet weten, het niet meer kunnen weten, de onverschilligheid en de kwaadaardige medeplichtigheid. Daartegenover moet de erfenis van het antifranquisme, met voorop de erkenning van de slachtoffers van het franquisme, nog zijn volwaardige plaats in onderwijs en publieke ruimte krijgen.

De spiegel die de Spaanse transitie ons voorhoudt

De Spaanse transitie houdt Europa – en daarbuiten - vandaag een spiegel voor. Wat we vandaag met extreemrechts meemaken is geen herhaling van de geschiedenis. Ja, er zijn analogieën. Ja, er zijn discursieve en iconografische gelijkenissen, tot en met de mantel van ICE-voorman Gregory Bovino toe. En ja, de jaren dertig komen terug. Binnen vier jaar is het zover. Maar het zullen de jaren dertig van de 21ste eeuw zijn. Er zijn ook verschillen, van conjunctuur, van historiciteitsregime, van actoren. Je mag en kan het allemaal fascisme noemen maar het zal je niet ontslaan van de inspanning om een analyse te maken van het huidige tijdgewricht in de huidige kantelende wereldorde met de crisissen en impasses van de democratieën van vandaag. Robert O. Paxton in gedachte moeten we niet selectief de gelijkenissen bijeenharken maar kijken en beducht zijn voor het opsteken van een ‘functioneel equivalent’.
De spiegel die de Spaanse transitie ons vijftig jaar later voorhoudt kan ons iets leren over hoe democratieën vandaag ‘van de wet via wetten naar nieuwe wet’ schuiven. En op die manier van democratieën naar wat dan heikel ‘illiberale democratieën’ wordt genoemd, autocratieën en zelfs vormen van dictatuur. We moeten beducht zijn, niet zozeer of uitsluitend voor lange SS-mantels en stampende laarzen, maar voor de toetsenborden van de 21ste eeuw die de matrakken en boksbeugels van de vorige eeuw hebben vervangen. Voor de partijen die technisch de democratische spelregels zeggen te aanvaarden en als Trojaanse paarden het democratische speelveld benutten om uiteindelijk de regels te veranderen. De la ley a través de la ley a la ley.
Toen in de transitie de bladzijde werd omgeslagen zonder ze collectief gelezen te hebben, werd de weg niet alleen geopend naar amnestie – en straffeloosheid voor de misdaden tegen de menselijkheid – maar ook amnesie. – Vincent Scheltiens Ortigosa
Als in EU-lidstaat Hongarije premier Viktor Orbán de abortuswetgeving aanvalt, als hij transpersonen en LGBTQi-personen discrimineert, als hij nieuwszenders sluit, steunt hij daarvoor op een democratisch verworven absolute parlementaire meerderheid. Maar geleidelijk aan ondergraaft hij daarmee en vandaaruit de rule of law en uiteindelijk ook het technische instrumentarium van de democratie waarmee hij die democratie opgevreten zullen hebben. Rechters afdoen als ‘activistisch’ en de ‘primaat van de politiek’ inroepen. Internationale mensenrechtenverdragen ondergeschikt verklaren aan je ‘soevereiniteit’ en deze mensenrechten willen ‘amenderen’. Het middenveld droogleggen, deels criminaliseren en de actiemogelijkheden van sociale organisaties – vakbonden voorop- inperken. Klinkt het u bekend in de oren? Boedapest of Rome zijn dichterbij dan we vaker denken. Is dat niet eerder het gevaar van onze tijd, de quasi geruisloze omgekeerde transities die zich voltrekken, ‘de ley a través de la ley a la ley’? Dàt behoeft verzet.

Elk zijn deel

Ook nu is Spanje, net zomin als in het interbellum, een buitenbeentje en is het Spaanse verhaal een Europees verhaal. Ook hier, in onze landen, kampen we met een electorale doorbraak van extreemrechtse krachten, met de normalisering van deze krachten, met de overname van discoursen en voorstellen van deze extreemrechtse krachten door centrumkrachten van rechts én links. Fascisme roepen, morele verontwaardiging uiten en verwijzen naar het verleden dat terug zou keren… zullen niet volstaan. Dat is blijven steken in de fase van wat in Frankrijk, la sidération wordt genoemd. Moreel verontwaardigd en strategisch verlamd en ontwapend oproepen tot “waakzaamheid” zullen niet volstaan.
Elk zijn deel. Ook op metaniveau, zou ik durven zeggen. We kampen met een deficit: een behoorlijke graad van amnesie over het verzet in de mate dat het historisch onderzoek zich jarenlang meer over de collaboratie heeft gebogen dan over dat verzet. Er is meer. Zoals de Italiaanse historicus Enzo Traverso schrijft is in onze landen de antifascistische consensus die na de Bevrijding heerste grotendeels verdwenen. De antifascistische erfenis werd voor een stuk verdacht gemaakt. In het slechtste geval worden fascisme en antifascisme als twee verfoeilijke extremismen van de hand gewezen. Niet geïnstrumentaliseerd wetenschappelijk onderzoek (en de middelen ervoor!) en herinneringseducatie zijn in deze context allebei van groot maatschappelijk en democratisch belang. Elk zijn deel en dat deel is dat van de vzw Helden van het Verzet.
Maar je kan én moét ook en vooral als academisch historicus toegeven dat je vakgebied qua agendasetting decennialang schromelijk tekort is geschoten. – Vincent Scheltiens Ortigosa
Het gevecht om de memoria histórica, de historische herinnering, en de memoria democrática, de democratische herinnering, die in Spanje vandaag – zowel van onderuit als vanuit de huidige regering - gevoerd wordt is in die zin dezelfde inspanning als die – gelukkig met vrucht – Helden van het Verzet levert. Het is ook in beide gevallen een vreedzame, pluralistische, democratische burgerbeweging van onderop.
En ik weet het, je kan als academisch historicus de benaming ‘helden’ problematisch vinden. Je kan opwerpen dat niet alle verzetsstrijders gedreven werden door een democratisch denkkader of maatschappijproject. Je kan erop wijzen  dat bronvermeldingen accurater konden en dat we ons zeker moeten hoeden voor nieuwe mythevorming …
Maar je kan én moét ook en vooral als academisch historicus toegeven dat je vakgebied qua agendasetting decennialang schromelijk tekort is geschoten. En dat nu, eindelijk, de ‘historici van de collaboratie’ metamorfoseren in ‘historici van het verzet’, versterkt door wat hopelijk een nieuwe, jongere lichting wordt. En dat eindelijk – zoals gelukkig gebeurt – een inhaaloperatie in gang is gezet waarbij – als het goed loopt – herinneringsbeweging en academisch onderzoek – twee verschillende zaken - elkaar bevruchten en versterken.
Ik dank mijn goede vriend Dany voor het vermetel en voluntaristisch in gang zetten van deze kleine maar oh zo heilzame Copernicaanse historiografische omwenteling. Ik wens al wie zich inzet voor de maatschappelijke erkenning en herkenning van ‘gewone mensen die buitengewone dingen deden’ alle succes toe.
****************

Vincent Scheltiens Ortigosa is postdoctoraal onderzoeker bij Power in History – Centre for Political History van de Universiteit Antwerpen en gastprofessor aan diezelfde universiteit. Hij is auteur van onder meer Onvoltooid verleden. Spanje onder en na Franco (2025) en, samen met Bruno Verlaeckt, Extreemrechts. De geschiedenis herhaalt zich niet (op dezelfde manier) (2021). Dit jaar verschijnt van hem, samen met Sven Tuytens, In Spaanse loopgraven. België en de Spaanse Burgeroorlog, 1936-1939.