Zo vernemen we dat hij tot eind oktober in het tuchthuis van Gross-Strehlitz een cel deelde met twee anderen. Op 30 oktober wordt hij, samen met ongeveer duizend Belgen, Fransen en Nederlanders, op transport gezet naar het Nacht-und-Nebelconcentratiekamp Gross-Rosen. Daar overleeft hij nog een aanval van dysenterie, maar zijn uitgeputte lichaam houdt het niet vol. Op 3 december 1944 bezwijkt hij, samen met vele anderen, aan tyfus.
Voor ons volgen moeilijke jaren. Ons warme nest voelt leeg. Ons ooit zo hechte gezin valt noodgedwongen uiteen. Moeder en zus keren terug naar Hasselt, terwijl ik zes jaar op internaat mijn middelbare studies afwerk. De wet laat niet toe dat ik van taalrol verander; het Frans blijft voortaan mijn literaire voertaal. Ik zoek. Ik twijfel. Vader laat een grote leegte na.
Eén gedachte blijft mij achtervolgen: ik heb nooit afscheid van vader kunnen nemen. Zo bezoekt hij mij vaak in mijn dromen — altijd zoals op die laatste dag op het perron: glimlachend, gezond. En telkens volgt dezelfde pijnlijke ontgoocheling bij het ontwaken. Maar er is ook een andere vraag die me niet loslaat: wat heeft hij moeten doorstaan tijdens die negen maanden gevangenschap? We weten het niet, want hij heeft ons nooit kunnen schrijven.